christavandenberg.nl Industrieel ontwerper met nomadenbloed

Delta nr 11, maart 2004

Door een speling van het lot ontdekte hij zijn passie voor duurzame ontwikkelingsproblematiek. Nu gaat industrieel ontwerper Crelis Rammelt jaarlijks naar Bangladesh. Hij werft fondsen om de lokale bevolking te organiseren en bewust te maken van het veel te hoge arsenicumgehalte in haar drinkwater.

Als kind wilde hij architect worden. Maar exacte vakken lagen Crelis Rammelt zo, dat hij besloot industrieel ontwerpen te studeren. "Al weet ik eigenlijk niet meer waarom ik nu precies die studie koos", zegt hij nu. Toch is hij achteraf blij met zijn keuze, want tijdens zijn studie kreeg hij de mogelijkheid stage te lopen in Bangladesh en ontdekte hij zijn roeping. "Ik zei altijd al dat ik een keertje in een ontwikkelingsland wilde kijken, maar dat was alles wat ik deed: het zeggen. Toen de mogelijkheid zich echt voordeed, besloot ik erom te tossen, kop of munt. Gelukkig werd het Bangladesh, maar ik denk dat ik anders toch ook wel was gegaan."

Eenmaal in het ontwikkelingsland, dacht Rammelt al snel: 'dit is het'. "IO is een redelijk brede studie, waarin je veel tegenkomt, maar pas in Bangladesh vond ik wat ik zocht. Alle dingen die ik had geleerd kregen nu opeens een context."

De drie maanden durende stage draaide om waterbeheer. "Het was een prachtige kans om goed rond te kijken in het land en de problemen vanuit verschillende hoeken te bekijken. Door met alle betrokkenen, onder wie bijvoorbeeld lokale boeren, te praten, krijg je een heel ander beeld dan wanneer je alleen vanuit het perspectief van een bedrijf naar een probleem kijkt. Als pilotproject over waterinfrastructuur waren er dijken, sluizen, en irrigatiesystemen gebouwd, maar daarbij was niet overlegd met de bevolking. Daardoor ontstonden allerlei problemen. Ik heb bekeken hoe het anders zou kunnen." De stage was een idee van onder anderen Jan Boes van de sectie technology assessment bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management.

Grootschalig

Toen drie jaar geleden bekend werd dat het grondwater in Bangladesh veel te veel arsenicum bevat, vertrok opnieuw een groep studenten van Boes naar Bangladesh. Het arsenicumprobleem bleek grootschalig. Op uitnodiging van Boes is Rammelt sindsdien nauw betrokken bij het opzetten van een project om de lokale bevolking te helpen. Als onderzoeker en secretaris van de stichting Arsenic Mitigation and Research Foundation houdt hij zich nu vooral bezig met fondsenwerving en organisatorische zaken.

Rammelt: "Ik zou uiteindelijk graag onderzoek doen naar de implementatie van technologie. Vanuit de hele westerse wereld komen technische oplossingen voor het arsenicumprobleem, maar die passen vaak niet bij de organisatie van de bevolking. Dan kun je dus wel het zoveelste keramische filter voor de drinkwatervoorzieningen ontwerpen, maar zonder organisatie in de dorpen is er niemand die zo'n filter koopt of onderhoudt, en blijft het probleem bestaan. Daar komt nog eens bij dat de bevolking nauwelijk iets weet van het arsenicumprobleem."

Ook de TU Delft zou volgens Rammelt haar focus wat meer kunnen richten op de sociale context van het ontwerpen voor ontwikkelingslanden. "In Delft denken we vanuit de techniek. De TU ontwikkelt voornamelijk voor het Westen en heel weinig voor ontwikkelingslanden. En als dat wel gebeurt, dan is de insteek sterk technologisch en wordt de context amper bekeken. We zouden ons meer moeten inleven en met de bevolking moeten samenwerken", zegt deonderzoeker.

Sinds zijn afstuderen gaat Rammelt elk jaar één of twee keer terug naar Bangladesh om te zien hoe het met het project gaat. De financiering komt uit Nederland, maar de uitvoering ligt in handen van een van de vele ontwikkelingsorganisaties die Bangladesh rijk is. "Omdat er al veel onderzoek gedaan wordt naar technische oplossingen en verbetering van de grondwaterkwaliteit, richt ons project zich in eerste instantie op de bewustwording van de bevolking. Dat is de eerste stap voor organisatie", aldus de IO'er.

In het eerste jaar na zijn studie werkte Rammelt voor verschillende ontwerpbureaus en schreef hij voor de TU een evaluatierapport over de stages in Bangladesh. "Ik deed dat jaar vooral heel weinig", grapt hij. Uiteindelijk kwam de alumnus drie jaar geleden, weer via Boes, terecht bij de faculteit TBM, als docent. Sindsdien coördineert hij daar de TU-brede afstudeervariant duurzame ontwikkeling. "Ik doe vooral organisatorische dingen, zoals het actueel houden van de lijst duurzame keuzevakken. Daarnaast organiseer ik twee keer per jaar een colloquium."

Voor studenten die een techniek-in-duurzame-ontwikkeling-aantekening (tido) willen op hun diploma, is deelname aan het colloquium verplicht. Deze periode van twee weken bestaat uit een week op een boot en een week op de TU. Tijdens de bootweek zijn twintig tot vijfentwintig studenten intensief bezig met duurzaamheid in de breedste zin van het woord. "We behandelen verschillende thema's, zoals water, afval en energie", aldus Rammelt. "Naast workshops zijn er discussies, excursies, presentaties en ontvangen we experts. De insteek van het colloquium is breed en daardoor kunnen we uiteenlopende onderwerpen behandelen. Ook mijn persoonlijke interesse bijvoorbeeld, al probeer ik daar niet teveel op te richten. Maar als je het hebt over duurzame ontwikkeling kom je automatisch ook bij de mondiale problematiek van ontwikkelingsvraagstukken."

Perspectieven

Rammelt is blij dat hij momenteel zijn werk voor Bangladesh kan combineren met werken voor de TU. "De combinatie is perfect. Bij de TU duik ik in de breedte en bij het Bangladesh-project ben ik bezig met mijn persoonlijke interesse." Dat voor beide functies zijn kennis van industrieel ontwerpen niet wezenlijk van belang is, vindt hij niet erg. "Ik denk dat ik die kennis in een later stadium nog wel zal kunnen gebruiken. Nu ben ik vooral geďnteresseerd in de verschillende perspectieven van waaruit mensen naar dingen kijken, de sociale kant van duurzame ontwikkeling, terwijl je bij ontwerpen veel meer bezig bent met oplossingen. Maar door mijn studie kan ik in Bangladesh ook over technieken en producten meepraten. Dat is handig."

Veel activiteiten naast zijn studie deed de TU'er niet. "Ik speelde wel gitaar in een bandje waarmee we heel wat optredens deden bij Delftse studentenverenigingen. Het was een band van een man of tien. Zonder bandnaam, maar met een grote groep volgers. Dat kwam doordat we niet voor geld speelden, maar voor gratis bier. Van dat bier probeerden zoveel mogelijk mensen te profiteren", lacht Rammelt.

Ook aan zijn afstudeerproject in Tanzania denkt hij met veel plezier terug. "Ik ging naar Tanzania om een product te ontwikkelen voor irrigatie, het werd uiteindelijk een waterpomp. Mijn idee was om zonder ontwerp te arriveren en ter plekke te kijken wat de problemen waren. Dat leek me beter dan al met een ontwerp in de hand aankomen, want dan kun je minder inspelen op de lokale behoeften. Tijdens mijn eerste bezoek besloot ik een waterpomp te ontwerpen die een stuk goedkoper was dan de bestaande. Terug in Nederland werkte ik het ontwerp uit en daarna ging ik voor de tweede keer naar Tanzania. Daar heb ik toen modellen gebouwd en gezocht naar een werkplaats waar mijn pomp gemaakt kon worden. Ik kwam terechtbij een lts-achtige opleiding. Om bij te dragen aan het collegegeld, maakten de leerlingen al oventjes en dergelijke, die ze verkochten. Het was niet commercieel en dus precies wat ik zocht. We hebben daar mijn prototype gemaakt en direct daarna moest ik helaas weer terug naar Nederland om af te studeren." Wat er van zijn product terecht is gekomen, weet Rammelt niet. "Ik heb niet de illusie dat mijn waterpompen nu overal te koop zijn, maar ik hoop dat er misschien in de school daar wat studenten op ideëen zijn gekomen. Dat zou mooi zijn."

 

 
Life after Pinochet

Life After Delft: No more Suriname food

Dutch Talk

Dutch Talk

Standplaats Sjanghai

 

terug naar boven