christavandenberg.nl Stop stralingsbelasting

Gezond Bouwen & Wonen nr 1, april 2005

Een groeiend aantal mensen maakt zich serieus zorgen over de gezondheidsrisico’s die technologische snufjes als GSM, UMTS of WiFi met zich zouden kunnen meebrengen. De overheid ontkent enig risico, maar zelfs wetenschappers geven aan dat feitelijk nog niets is bewezen. Voordat er een kalf verdronken is, is wel duidelijk dat er een put is.

Naar mogelijke gezondheidseffecten van radiofrequente elektromagnetische velden, in de volksmond gewoon straling, is de laatste tien jaar flink wat onderzoek gedaan. Zo zagen Spaanse onderzoekers bijvoorbeeld dat mensen die op minder dan 150 meter van een GSM-zendmast woonden aanzienlijk meer last hadden van lichamelijk klachten als hoofdpijn, moeheid en geïrriteerdheid dan plaatsgenoten die op meer dan 250 meter van een antenne woonden. En in Rusland constateerden wetenschappers dat van kuikenembryo’s die werden blootgesteld aan straling maar liefst 75 procent stierf, terwijl het sterftecijfer van de niet blootgestelde controlegroep maar 16 procent bedroeg. Dit zijn slechts twee voorbeelden, het aantal wetenschappelijke onderzoeken die een duidelijk verband aantonen is veel groter. Maar tegelijkertijd zijn er even zo veel onderzoeksresultaten die niet wijzen op enig gezondheidsrisico en dat maakt de discussie over het wel of niet stoppen van de draadloze revolutie erg moeilijk.

Volgens de Gezondheidsraad (adviesorgaan voor ministers en parlement op het gebied van volksgezondheid) en het Nationaal Antennebureau (informatieloket en expertisecentrum voor vragen over het Antennebeleid) hoeven we ons geen zorgen te maken, omdat er niet onomstotelijk bewezen is dat radiofrequente straling schadelijk is voor de gezondheid. Behalve de Nederlandse overheid houden ook veel andere landen zich bij een dergelijk standpunt. Zij baseren zich op uitgebreide literatuurstudies door verschillende kennisinstituten.

Twijfel

Toch zijn er voldoende redenen om de rechtvaardiging van dit standpunt in twijfel te trekken. Zo geven veel van de studies waarop overheden zich baseren wel degelijk aan dat de situatie verre van zwart-wit is. Bijvoorbeeld het rapport van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP), over epidemologisch onderzoek naar gezondheidseffecten van straling, dat eind 2004 verscheen. De ICNIRP concludeerde dat er teveel gaten in de wetenschappelijk kennis over straling zitten om aan te nemen dat er geen gevaar schuilt in het gebruik van mobieltjes. De Britse Independent Expert Group on Mobile Phones (IEGMP) trok dezelfde conclusie overigens al in 2000.

Daarnaast uitte een groep van ruim honderd Duitse artsen al in oktober 2002 in het Freiburger Appel haar bezorgdheid over de invloed van straling op de gezondheid. In een brandbrief aan de regering schreven zij zich ernstig zorgen te maken over de toename van chronische aandoeningen (zoals leer-, gedrags- en concentratiestoornissen bij kinderen, hartinfarcten, bloeddrukafwijkingen, epilepsie en kanker) onder hun patiënten en het steeds vaker optreden van schijnbaar onverklaarbare klachten (zoals vermoeidheid, hoofdpijn, innerlijke onrust en oorsuizingen). De groep zag een duidelijk verband tussen deze toenamen en de opkomst van mobiele technieken. Inmiddels steunen duizenden artsen het Freiburger Appel en vorig jaar trok een groep kinderartsen via het Bamberger Appel op soortgelijke wijze aan de bel.

Ook het COFAM onderzoek van TNO uit 2003 geeft reden tot twijfel. Dit toonde onder meer aan dat blootstelling aan UMTS-straling bij zowel elektro-sensitieve als niet-gevoelige proefpersonen een duidelijke vermindering van het gevoel van welzijn opleverde. Bij de groep gevoeligen kwam dit vooral neer op toename van klachten als nervositiet, duizelingen en concentratieproblemen, terwijl bij de controlegroep gevoelens van rusteloosheid, boosheid en ongeduld toenamen. Met deze verontrustende resultaten heeft de overheid weinig gedaan. Zij heeft slechts financiele steun verleend aan herhaling van het COFAM-onderzoek in Zwitserland. Dit replicatieonderzoek vindt momenteel plaats en de resultaten zijn eind dit jaar bekend. Twee jaar na het eerste onderzoek zal dus pas bekend zijn of replicatie hetzelfde resultaat oplevert. Ondertussen gaan de ontwikkelingen door.

Langzaamaan neemt de bezorgdheid onder de Nederlandse bevolking toe. Naast het eerder genoemde thermale effect, zorgt straling namelijk mogelijk ook voor a-thermale effecten, zoals leukemie of hoofdpijn. Verder zijn de langetermijneffecten van blootstelling een punt van zorg. Omdat mobiele telefonie en digitale draadloze technieken recente ontwikkelingen zijn, is er over deze effecten nog weinig bekend. Uit de Naila-studie, een tienjarig Duits onderzoek naar de ontwikkeling van kanker onder de bevolking van het plaatsje Naila, bleek echter wel dat mensen die dicht bij een GSM-mast woonden twee tot drie keer zo vaak kanker kregen.

Hiaten

Zoals gezegd is er nog veel onduidelijkheid over de werking en gevolgen van straling. Een van de hiaten in kennis betreft de invloed op de gezondheid van kinderen. Daarnaast is er weinig bekend over de specifieke risico’s van gepulste straling (waar bijvoorbeeld mobieltjes gebruik van maken) en hoe blootstelling in cumulatieve velden berekend kan worden. Een recent rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) meldt verder dat de kennis over de processen die leiden tot kortetermijneffecten onvoldoende is.

Helaas ontbreekt niet alleen veel kennis, maar spreken onderzoeksresultaten elkaar ook regelmatig tegen, zijn veel onderzoeken onbetrouwbaar door uitvoeringsfouten en geeft een flink deel van de onderzoeken geen goede weergave van de realiteit. Zowel het RIVM als de ICNIRP geven aan dat meer en beter wetenschappelijk onderzoek nodig is. De Britse IEGMP gaat nog iets verder, zij adviseert namelijk een precautionary approach, oftewel voorzorgsmaatregelen te nemen.

De enige voorzorgsmaatregel die momenteel geldt binnen de Europese Unie is een blootstellingnorm die moet voorkomen dat straling plaatselijk, met name op het hoofd, voor te veel opwarming zorgt. Dit thermale effect van elektromagnetische velden wordt bij magnetrons gebruikt om voedsel op te warmen en is een bekend en bewezen effect. Andere maatregelen zijn er niet en dat is in Nederland een belangrijk onderwerp in de discussie over elektromagnetische straling.

Voorzorg

Veel mensen vragen zich af waarom de overheid het voorzorgsprincipe niet hanteert. Onder dit principe verstaan we in het algemeen zoiets als ‘Bij voldoende aanwijzingen dat een product of actie schadelijk kan zijn voor mens of milieu, moeten er maatregelen genomen worden’. Een nieuw medicijn komt bijvoorbeeld pas op de markt nadat grondig en veelvuldig onderzoek heeft aangetoond dat het middel niet schadelijk is. Maar UMTS of WiFi is al in gebruik terwijl wetenschappers het nog oneens zijn over mogelijke gezondheidsrisico’s. En het aantal toepassingen van radiofrequente elektromagnetische velden neemt in sneltreinvaart toe. Deze ontwikkeling is op zijn minst opmerkelijk.

Er zijn meerdere redenen te bedenken voor de afwachtende houding van de politiek, maar dat het enorme economisch belang een rol speelt staat voor veel mensen vast. Met de veiling van UMTS-frequenties verdiende de overheid in 2000 al 5,9 miljard gulden en inmiddels is de verdeling van de WLL-frequenties (Wireless Local Loop, locale draadloze netwerken) in volle gang. Naar verwachting zullen de telecombedrijven in 2007 de opvolger van UMTS introduceren, waardoor de overheid ook dan weer een flink bedrag opstrijkt. In opdracht van het ministerie van Economische Zaken deed de universiteit van Tilburg onlangs vooronderzoek naar wat gebruik van het radiospectrum, oftewel de zendfrequenties, betekent voor de welvaart. Wat blijkt? Een voorzichtige schatting wijst op circa negen miljard euro, wat te vergelijken is met twee procent van het bruto binnenlands product.

Straling: een korte introductie

Onder straling verstaan we transport van energie. Deze energie is afkomstig van een bron, bijvoorbeeld van een koffiezetapparaat of een antenne, en verplaatst zich in de vorm van golven. Op basis van frequentie (het aantal keer dat een golfbeweging zich herhaalt per seconde) en golflengte (de afstand die een golf aflegt in precies een beweging) is straling ingedeeld in verschillende soorten. Zo valt het stroomnet (frequentie 50 Hz) onder de noemer laagfrequente straling, vanwege de lage frequentie en grote golflengte. Infrarood (ca 3 THz -430 THz) en zichtbaar licht (430 THz - 750 THz) noemen we optische straling. Deze wordt gekenmerkt door hoge frequentie en kleine golflengte. Straling met frequenties tussen die van het laagfrequente veld en het optische veld beschouwen we als radiofrequente straling (300 Hz – 300 GHz). Hieronder valt straling van GSM’s en andere mobiele communicatieapparatuur.

Omdat straling ontstaat in elektromagnetische velden, noemen we het ook wel elektromagnetische straling. In het geval van de meeste draadloze technieken, waaronder mobiele telefoons, spreken we bovendien nog van gepulste straling. Gepulst houdt in dat de (draag)golf telkens kort wordt onderbroken, waardoor er meerdere gesprekken tegelijk gevoerd kunnen worden per frequentie. Door de korte onderbreking ontstaat naast de radiofrequente golf ook nog een laagfrequente golf.

Alle straling in het laag- en radiofrequente veld, evenals infrarood en zichtbaar licht is niet-ioniserende straling. Bij frequenties hoger dan die van ultraviolet spreken we van ioniserende straling. Deze heeft als eigenschap dat het atomen en moleculen kan veranderen en is daardoor gevaarlijk voor mensen. Röntgenstraling is een voorbeeld van ioniserende straling.

Literatuur

1 E.A. Navarro, J. Segura, M. Portolés, C. Gómez-Perretta de Mateo (2003). The Microwave Syndrome: a Preliminary study in Spain. Electromagnetic Biology and MedicineVolume 22, Issue 2. 2 Grigor'ev IuG, Rusland (2003). Biological effects of mobile phone electromagnetic field on chick embryo (risk assessment using the mortality rate). Radiats Biol Radioecol. 43(5):541-543. 3 Anders Ahlbom et al. (2004) Epidemiology of Health Effects of Radiofrequency Exposure. Standing Committee on Epidemiology, ICNIRP. 4 sir William Stewart (2000). Mobile Phones and Health. IEGMP., chairman. (Ook wel Stewart Report genoemd.) 5 Prof.dr.ir. A.P.M Zwamborn, dr.ir. S.H.J.A. Vossen, ir. B.J.A.M. van Leersum, ing. M.A. Ouwens, W.N. Mäkel (2003). TNO-report FEL-03-C148. Effects of Global Communication system radio-frequency fields on Well Being and Cognitive Functions of human objects with and without subjective complaints. TNO. 6 H.Eger, K.U. Hagen, B. Lucas, P. Vogel en H.Voit (2004). E. U, 17. Jahrgang, Ausgabe 4, S. 273-356 7 JFB Bolte en MJM Pruppers (2004). RIVM rapport 861020007/2004. Gezondheidseffecten van blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden. Probleemanalyse niet-ioniserende straling. RIVM.

Verklaring afkortingen

COFAM Cognitive Functions And Mobiles DECT Digital Enhanced Cordless Telecommunication GSM Global System for Mobile communication ICNIRP International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection IEGMP Independent Expert Group on Mobile Phones RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu TNO Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek UMTS Universal Mobile Telecommunication System WiFi Wireless Fidelity WLL Wireless Local Loop (draadloos netwerk dat 100 tot 10.000 meter beslaat)

 

 
Life after Pinochet

Life After Delft: No more Suriname food

Dutch Talk

Dutch Talk

Standplaats Sjanghai

 

terug naar boven